Tien eeuwen Tienen: het stadhuis

april 4th, 20124:29 pm @

1


Tien eeuwen Tienen: het stadhuis

In ‘Tien eeuwen Tienen’ belichten we historische weetjes over de suikerstad. De rubriek wordt verzorgd door kunsthistorica Diantha Osseweijer en historicus Jakob Ulens, die van wal steekt met een stukje over het stadhuis.


We beginnen met het verhaal achter deze oude trapgevel. Een authentiek 17de-eeuws exemplaar dat bij weinig Tienenaars een belletje zal doen rinkelen. Niet erg! Deze achtergevel is nauwelijks zichtbaar van op straat. Toch ben je héél waarschijnlijk al in het pand geweest dat achter deze gevel schuilgaat. Het is namelijk de achtergevel van het stadhuis! “Hhmm, een 17de-eeuwse gevel? Is het stadhuis dan niet gebouwd in 1836? Dat geven de Romeinse cijfers op de voorgevel toch aan? Ja en nee. Het stadhuis werd in 1836 vooral verbouwd. De voorgevel en het voorste gedeelte werden volledig vernieuwd maar aan de achtergevels werd niet geraakt.

Het valt misschien op dat deze trapgevel minder breed is dan de voorgevel van het stadhuis. Dat komt omdat er op de plaats van het stadhuis ooit drie individuele panden stonden. De trapgevel is een restant van één van die drie panden. In de loop van de 17de eeuw werden de drie panden verenigd en aan de voorzijde bekroond met een mooie barokgevel. Op dat moment was het nog steeds een particulier burgerhuis in het bezit van de familie Immens. Pas in 1712 kocht de stad het pand en verhief het tot stadhuis. Waarom de stad op zoek moest naar een nieuw stadhuis, doen we een volgende keer uit de doeken.

 

Stadhuis voor 1836 - © Reproductierecht Universiteitsbibliotheek UGent

Maar waarom liet de stad in 1836 een nieuwe gevel optrekken? Hiermee wilde men ongetwijfeld uitdrukking geven aan de nieuwe wind die door stad en land waaide. België was piepjong en de Tiense bevolking groeide in de voorafgaande decennia explosief. De eerste industrieën bloeiden op en de spoorlijn zou een jaar later Tienen bereiken. Het geloof in de vooruitgang was groot. En bij een herwonnen ambitie hoort nu éénmaal een nieuwe gevel. Best in neo-classicistische stijl natuurlijk, dé vormtaal waarmee de burgerij van het jonge België zijn drang voorwaarts uitdrukte.
Het is evenmin toevallig dat er zes bustes van beroemde “Belgen” in de voorgevel zijn aangebracht. De prille Belgische staat moest zichzelf een identiteit aanmeten. Een roemrijk verleden met tal van oude helden kon hierbij helpen.
Van Dyck, Rubens, Karel V, Cobergher, Grétry, Justus Lipsius en Andreas Vesalius zouden van op het Stadhuis ook de Tienenaars tot grootste daden inspireren.

Architect van dienst was François Drossaert. Hij was een uitgeweken Brusselaar die in 1834 tot stadsarchitect werd benoemd. Hij zou in de komende jaren tal van openbare gebouwen ontwerpen en zo een stempel drukken op uitzicht van de stad…

Jakob Ulens